Zittend volleybal is in Nederland in 1956 als een revalidatie-activiteit opgenomen voor gewonde soldaten en is nu een van de populairste paralympische teamsporten.

Zittend Volleybal is een teamsport met constante beweging en explosieve actie. Twee teams van zes spelers worden gescheiden door een net en proberen punten te scoren door de bal op het veld van de andere kant te spelen. Het werd een officiële sport voor mannen op de Paralympische Spelen van 1980 in Arnhem en voor vrouwen in Athene 2004. Spelers moeten snelheid, kracht en uithoudingsvermogen hebben, evenals uitstekende technische vaardigheden en het vermogen om snel en tactisch te denken. Met meer dan 10.000 atleten in meer dan 75 landen, is Zittend Volleybal een wereldwijd spel. Elk team mag drie keer de bal raken voordat deze over het net gaat.

De belangrijkste aanvalsbeweging is de set en spike, waarin een speler de bal (set) voedt zodat een teamgenoot het veld van de tegenstander (spike) raakt.
Een wedstrijd heeft vijf sets, waarbij elke set wordt gewonnen door het eerste team met 25 punten (15 in de vijfde set). De regels zijn gebaseerd op de FIVB-regels voor valide volleybal, met enkele kleine aanpassingen. De zittende versie vereist een kleinere baan (10m x 6m) en een lager net (1,15 m voor mannen, 1,05 m voor vrouwen).
De belangrijkste regel is dat als het bekken van een speler tijdens het spelen de grond verlaat, er een ‘opheffende’ fout is begaan. Atleten bewegen over het veld door te glijden met de kracht van hun armen, zonder een zittende positie te verlaten. Twee gouden medailles staan ​​op het spel tijdens Tokyo 2020 in de heren- en damescompetities.